Management Summary
Het kabinet wil box 3 vanaf 2028 ingrijpend hervormen. Het huidige stelsel met fictieve rendementen moet plaatsmaken voor een stelsel waarin het werkelijke rendement het uitgangspunt wordt. Voor aandelen, obligaties, opties en vastgoed wil het kabinet daarbij zoveel mogelijk werken met een vermogenswinstbelasting, waarbij waardestijgingen pas worden belast zodra de winst daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Vanaf 2030 moet dit systeem verder worden uitgebreid. De plannen zijn nog niet definitief en kunnen tijdens de verdere behandeling nog wijzigen. Voor beleggers, vastgoedbezitters en DGA’s is het vooral belangrijk om rekening te houden met een ander moment van belastingheffing, een grotere administratieve rol en de samenhang tussen box 2 en box 3.
Inhoudsopgave
Box 3 gaat de komende jaren mogelijk ingrijpend veranderen. Het kabinet wil vanaf 2028 grotendeels af van het huidige systeem met fictieve rendementen en belasting gaan heffen over het werkelijke rendement op vermogen.
Op 29 september 2026 werd bovendien een belangrijke koerswijziging aangekondigd. Voor aandelen, obligaties, opties en andere financiële instrumenten wil het kabinet vanaf 2028 uitgaan van een vermogenswinstbelasting.
Belangrijk: deze plannen zijn nog niet definitief. De wetgeving moet nog verder worden behandeld en kan tijdens het politieke en wetgevende proces nog worden aangepast. De onderstaande uitleg is daarom gebaseerd op de plannen zoals die op 30 september 2026 bekend zijn.
Als de voorstellen doorgaan, betekent dit in de kern dat waardestijgingen in principe pas worden belast wanneer de winst daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Vanaf 2030 wil het kabinet deze systematiek verder uitbreiden naar de overige vermogensbestanddelen.
Voor beleggers, vastgoedbezitters en DGA’s met privévermogen verandert daarmee mogelijk niet alleen hoeveel belasting zij betalen, maar vooral wanneer die belasting wordt geheven.
Hoe werkt box 3 nu?
In box 3 wordt inkomstenbelasting geheven over het voordeel uit sparen en beleggen. Daarbij tellen onder meer spaargeld, aandelen, andere beleggingen en een tweede woning mee.
Het huidige systeem werkt in beginsel met een fictief of forfaitair rendement. Bij de forfaitaire berekening kijkt de Belastingdienst niet naar het daadwerkelijk behaalde rendement, maar rekent zij met vaste rendementspercentages.
Voor 2026 gelden voorlopig de volgende percentages:
Bank- en spaartegoeden: 1,28%
Overige bezittingen: 6,00%
Schulden: 2,70%
Belastingtarief box 3: 36%
Het heffingsvrije vermogen bedraagt in 2026 €59.357 per persoon en €118.714 voor fiscale partners.
Door uitspraken van de Hoge Raad speelt het werkelijke rendement inmiddels wel een grotere rol. Wanneer het werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement, kan onder voorwaarden gebruik worden gemaakt van de tegenbewijsregeling.
Het huidige stelsel is daardoor eigenlijk een tussenvorm geworden: forfaitair rendement als uitgangspunt, met de mogelijkheid om een lager werkelijk rendement aan te tonen.
Vanaf 2028 wil het kabinet dit systeem fundamenteel veranderen.
Box 3 vanaf 2028: werkelijk rendement wordt het uitgangspunt
De kern van de Wet werkelijk rendement box 3 is eenvoudig: niet langer een verondersteld rendement belasten, maar het rendement dat daadwerkelijk met vermogen wordt behaald.
Daaronder vallen bijvoorbeeld:
ontvangen rente;
dividend;
huurinkomsten;
waardestijgingen van beleggingen;
waardestijgingen van vastgoed.
Juist over die waardestijgingen was veel discussie.
In het oorspronkelijke wetsvoorstel zou voor veel beleggingen een vermogensaanwasbelasting gelden. Daarbij wordt een waardestijging ieder jaar belast, ook wanneer een belegging nog niet is verkocht.
Vermogensaanwasbelasting: belasting over papieren winst
Stel dat aandelen op 1 januari €100.000 waard zijn en aan het einde van het jaar €120.000.
Bij een vermogensaanwasbelasting kan de waardestijging van €20.000 al worden belast, terwijl de aandelen nog gewoon in bezit zijn.
Er wordt dan dus belasting geheven over een winst die nog niet daadwerkelijk is gerealiseerd.
Het kabinet stelt nu voor om daar voor een groot deel vanaf te stappen.
Kabinet kiest breder voor vermogenswinstbelasting
In de kabinetsbrief van 29 september 2026 wordt voorgesteld om vanaf 2028 alle financiële instrumenten, waaronder aandelen, obligaties en opties, onder een vermogenswinstbelasting te brengen.
Als dit voorstel wordt aangenomen, wordt een waardestijging in principe pas belast zodra de belegging wordt verkocht of de winst op een andere manier wordt gerealiseerd.
Een eenvoudig voorbeeld:
aankoop aandelen: €100.000
latere verkoopwaarde: €130.000
gerealiseerde vermogenswinst: €30.000
Die €30.000 vormt dan het relevante winstbedrag voor de belastingheffing.
Een tussentijdse koersstijging zonder verkoop leidt in dat voorgestelde systeem niet direct tot belastingheffing over die waardestijging.
Volgens het kabinet zou hierdoor circa 90% van het box 3-vermogen waarbij sprake is van waardeontwikkeling onder een vermogenswinstbelasting vallen.
Wat verandert er mogelijk in 2030?
De wijziging in 2028 is volgens het kabinet nog geen eindstation.
Vanaf 2030 wil het kabinet overstappen naar een volledige vermogenswinstbelasting voor de overige vermogensbestanddelen in box 3.
De beoogde ontwikkeling ziet er als volgt uit:
| Periode | Box 3 |
|---|---|
| 2026 en 2027 | Forfaitair rendement, met mogelijkheid tot tegenbewijs |
| Vanaf 2028 | Beoogd: werkelijk rendement en vermogenswinstbelasting voor onder meer aandelen, obligaties, opties en vastgoed |
| Vanaf 2030 | Beoogd: volledige vermogenswinstbelasting voor overige vermogensbestanddelen |
Ook deze planning staat nog niet definitief vast. Zowel de precieze vormgeving als de invoeringsmomenten kunnen tijdens de verdere behandeling nog wijzigen.
Ook de vrijstelling verandert
Niet alleen de manier van belastingheffing verandert. Ook de vrijstelling in box 3 moet volgens de plannen anders worden.
Het huidige heffingsvrije vermogen moet worden vervangen door een heffingsvrij resultaat.
Dat is een belangrijk verschil.
Nu is een bepaald bedrag aan vermogen vrijgesteld. In het voorgestelde nieuwe stelsel draait het om het rendement dat met dat vermogen wordt behaald.
Het kabinet stelt voor om het heffingsvrije resultaat vanaf 2028 op €1.000 per persoon te zetten.
Voorafgaand aan de invoering wil het kabinet het heffingsvrije vermogen in 2027 bovendien verlagen naar €30.846 per persoon. Ook is voorgesteld het forfait voor overige bezittingen in 2027 met 1,5 procentpunt te verhogen.
Ook deze bedragen maken onderdeel uit van de huidige voorstellen en kunnen nog wijzigen.
Wat betekent dit voor beleggers?
Voor beleggers is vooral het moment van belastingheffing belangrijk.
Bij een vermogenswinstbelasting hoeft over een waardestijging niet direct te worden afgerekend zolang de belegging niet wordt verkocht.
Daar staat tegenover dat een goede administratie belangrijker wordt. De Belastingdienst moet immers kunnen vaststellen wat de oorspronkelijke aankoopprijs en uiteindelijke verkoopprijs zijn.
Denk daarom aan een goede registratie van:
aankoopprijzen;
verkoopprijzen;
ontvangen dividend;
ontvangen rente;
kosten;
gerealiseerde verliezen.
Als het nieuwe stelsel doorgaat, wordt de administratie rondom beleggingen waarschijnlijk belangrijker dan nu.
Wat betekent dit voor DGA’s?
Ook voor DGA’s kunnen de nieuwe plannen grote gevolgen hebben.
Veel ondernemers hebben zowel vermogen in de BV als privévermogen in box 3. De vergelijking tussen privé beleggen en beleggen via een holding of andere BV kan daardoor veranderen.
Daarbij moet altijd naar het totaalplaatje worden gekeken. Denk aan:
box 2-heffing;
vennootschapsbelasting;
box 3;
de beleggingshorizon;
het verwachte rendement;
het moment waarop geld privé nodig is.
Het kabinet koppelt de nieuwe box 3-plannen bovendien aan wijzigingen binnen box 2.
Voor DGA’s is het daarom verstandig om box 2 en box 3 in samenhang te bekijken, zeker bij financiële beslissingen met een langere looptijd.
Zijn de nieuwe regels al definitief?
Nee. De regels zoals hierboven beschreven zijn nog voorstellen.
De Tweede Kamer heeft de Wet werkelijk rendement box 3 al aangenomen, maar de behandeling in de Eerste Kamer loopt nog. De koerswijziging van 29 september 2026 moet bovendien via een novelle in het wetsvoorstel worden verwerkt.
Het kabinet wil deze aanvullende wetgeving voor het einde van 2026 door het parlement krijgen om invoering per 1 januari 2028 mogelijk te houden.
Dat betekent dat zowel de inhoud van de regels als de ingangsdatum nog kunnen veranderen.
De richting die het kabinet voor ogen heeft is inmiddels wel duidelijk: Nederland moet wegbewegen van belastingheffing op basis van fictieve rendementen en richting belastingheffing over werkelijk rendement en gerealiseerde vermogenswinsten.
Voor mensen met alleen spaargeld zal die overgang relatief overzichtelijk zijn. Voor beleggers, vastgoedbezitters en DGA’s met grotere vermogens kan de impact aanzienlijk groter zijn.
Heb je vermogen in box 3 of beleg je zowel privé als via je BV? SFAA volgt de ontwikkelingen rondom box 2 en box 3 op de voet. We denken graag mee over wat de voorgestelde veranderingen voor jouw vermogensstructuur kunnen betekenen.
Dit artikel is bijgewerkt op 30 september 2026 en gebaseerd op de op dat moment bekende wetsvoorstellen en kabinetsplannen. De genoemde maatregelen en invoeringsdata zijn nog niet definitief en kunnen tijdens de verdere behandeling worden gewijzigd.
Veelgestelde vragen over box 3 vanaf 2028
Gaat de nieuwe box 3 zeker in op 1 januari 2028?
Wat verandert er in box 3 vanaf 2028?
Wat is het verschil tussen vermogensaanwasbelasting en vermogenswinstbelasting?
Betaal ik vanaf 2028 belasting over aandelen die ik nog niet heb verkocht?
Wat verandert er in box 3 in 2030?
Hoe werkt box 3 tot de invoering van het nieuwe stelsel?
Wat betekenen de nieuwe box 3-plannen voor DGA’s?
Contactformulier
Wil je weten wat deze wijzigingen concreet voor jouw BV betekenen? Wij denken vooruit, niet pas als het Belastingplan al wet is
Rik Brouwer
Rik Brouwer werkt sinds maart 2024 bij SFAA, en is inmiddels doorgegroeid tot Customer succes manager. Na het behalen van zijn Master of Business Administration: strategy & organization aan de Vrije Universiteit van Amsterdam is hij bij SFAA aan de slag gegaan en heeft hij zich snel bewezen als een sterke schakel binnen het team. Zijn inzet en expertise dragen bij aan de groei en klanttevredenheid van het bedrijf. Rik vindt het contact met de klant een cruciale activiteit, daardoor speelt hij een belangrijke rol in het onderhouden van klantrelaties binnen SFAA.